“Een juist gebruik van voorbehouden in het onderhandelingsproces kan claims voorkomen.”

“Afbreken van onderhandelingen kan leiden tot schadevergoeding of een verplichting om door te onderhandelen”

“Kostenvergoeding mogelijk, ook als het afbreken van onderhandelingen nog vrij staat.”

STANDAARDARRESTEN

HR 18 juni 1982, NJ 1983, 723 m.nt. C.J.H. Brunner (Plas/Valburg)
Niet uitgesloten is dat onderhandelingen over een overeenkomst in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw moet worden geacht, omdat pp. over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren. In zo een situatie kàn er ook plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding van gederfde winst.
Een verplichting tot vergoeding van in het kader van de voorafgaande onderhandelingen gemaakte kosten zou zèlfs kunnen bestaan, als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de ene partij te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wèl in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door de wederpartij gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen.

HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 1017 m.nt. C.J.H. Brunner (VSH/Shell)
Schade ter zake van het feit dat geen overeenkomst is tot stand gekomen (positief contractsbelang). Niet vervulde noodzakelijke voorwaarden. Geen gerechtvaardigd vertrouwen dat een joint venture tot stand zou komen.

HR 31 mei 1991, NJ 1991, 647 m.nt. P. van Schilfgaarde (Vogelaar/Skil)
Ook als partijen anders dan door ‘onderhandelingen’ betrokken zijn bij het voorbereiden van een tussen hen te sluiten overeenkomst, zal in het algemeen dezelfde maatstaf voor toepassing in aanmerking komen als in geval van afgebroken contractsonderhandelingen moet worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of het afbreken tegenover de wederpartij onaanvaardbaar is. Bij de vraag of dit afbreken of het staken van de voorbereidingen voor het sluiten van de overeenkomst tegenover de wederpartij onaanvaardbaar is, is in het algemeen niet van belang of beide partijen mochten vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen maar slechts of daarop mocht worden vertrouwd door de wederpartij van degene die het tot stand komen van de overeenkomst verhindert.

HR 16 juni 1995, NJ 1995, 705 m.nt. P.A. Stein (Shell/Van Esta Tjallingii)
In dit arrest heeft de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank dat de onderhandelingen niet reeds het stadium hadden bereikt waarin eiser in cassatie erop mocht vertrouwen dat in ieder geval enig contract zou worden gesloten, in stand gelaten. Omdat eiser in cassatie daarop niet mocht vertrouwen, bestond voor verweersters in cassatie geen verplichting tot vergoeding van de vertragingsschade zoals gevorderd. De rechtbank kwam tot dit oordeel, omdat tussen partijen over belangrijke punten in de te sluiten overeenkomst nog geen overeenstemming was bereikt.

HR 24 november 1995, NJ 1996, 162 (Van Engen/Mirror Group Newspapers)
Het hof heeft geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat Mirror in strijd met de goede trouw heeft gehandeld door van deelname aan het projekt af te zien, nu zij zich bij voormelde brief van 16 november 1989 uitdrukkelijk daartoe het recht heeft voorbehouden. Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat Van Engen mitsdien heeft geweten en in ieder geval moeten begrijpen dat de door Mirror uitgesproken bereidheid om bij te dragen in de initiële kapitaalsbehoefte nog niet betekende dat zij daarmee afstand had gedaan van het reeds eerder door haar bedongen recht om na afweging van alle overige voor haar van belang zijnde zaken met betrekking tot het projekt te allen tijde en om haar moverende redenen alsnog van definitieve deelname aan het projekt af te zien, van welk recht zij bij de fax van 19 december 1990 heeft gebruik gemaakt. Ook de tegen deze oordelen gerichte onderdelen 3–6 falen. Die oordelen – die niet in strijd komen met de maatstaven, weergegeven in HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 1017, en 31 mei 1991, NJ 1991, 647 – geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, verweven met feitelijke waarderingen als zij zijn, voor het overige niet op hun juistheid worden getoetst. In het licht van de gedingstukken zijn zij ook niet onbegrijpelijk, noch behoefden zij nadere motivering.

HR 14 juni 1996, NJ 1997, 481 m.nt. H.J. Snijders (De Ruijterij/MBO/Ruiters)
Ingeval bij de wederpartij van degene die de onderhandelingen over een te sluiten overeenkomst afbreekt, het gerechtvaardigde vertrouwen bestond dat die overeenkomst tot stand zou komen, behoeft dit niet onder alle omstandigheden te leiden tot de slotsom dat het afbreken onaanvaardbaar is. Rekening dient ook te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt, tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen, en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij; hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan.

HR 4 oktober 1996, NJ 1997, 65 (Combinatie/De Staat)
Langdurige onderhandelingen over de aanbesteding van de bouw van een warmte/krachtcentrale. In gevallen als het onderhavige, waarin onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, is bij het oordeel omtrent de vraag of het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is wegens gerechtvaardigd vertrouwen in het totstandkomen van de overeenkomst, voor wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend hoe daaromtrent ten slotte, op het moment van afbreken, moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.

HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (CBB/JPO) Klik hier voor het arrest.
Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de
onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen.

HR 29 februari 2008, JOR 2008, 145 m.nt. C. Bollen (Vollenhoven/Shell)
Voor vergoeding van het positief contractsbelang bij afgebroken onderhandelingen is geen plaats wanneer de wederpartij van degene die de onderhandelingen afbrak niet erop mocht vertrouwen dat in ieder geval enigerlei contract uit de onderhandelingen zou resulteren.